Bestaande medicijnen inzetten voor patiënten met andere kankersoorten

onderzoeker Emile Voest

Soms kan een medicijn dat is ontwikkeld voor de ene kankersoort ook werken bij een andere kankersoort. Niet omdat de tumoren op dezelfde plek in het lichaam ontstaan, maar omdat ze dezelfde DNA-afwijking hebben. In de DRUP-studie wordt onderzocht hoe veilig en effectief het is om patiënten te behandelen met bestaande medicijnen op basis van het DNA-profiel van hun tumor. 

Uit de resultaten blijkt dat ongeveer 1 op de 3 patiënten met vergevorderde kanker baat heeft bij een bestaand medicijn dat oorspronkelijk voor een andere kankersoort is ontwikkeld. Voor sommige patiënten betekent dat langdurige controle van hun ziekte.

Wat onderzoekt DRUP?

DRUP staat voor Drug Rediscovery Protocol. Deze landelijke studie onderzoekt of bestaande kankermedicijnen breder kunnen worden ingezet. Het uitgangspunt is behandelen op basis van het DNA-profiel van de tumor: het patroon van afwijkingen in het DNA van de kankercellen. Sommige medicijnen grijpen specifiek aan op zulke afwijkingen. 

Hoofdonderzoeker Emile Voest van het Antoni van Leeuwenhoek legt het uit: "Er zijn veel goede medicijnen ontwikkeld die specifiek werken tegen kankercellen met een bepaald DNA-profiel. Maar zo’n DNA-profiel is niet voorbehouden aan 1 tumorsoort. Een patiënt met darmkanker kan hetzelfde DNA-profiel hebben als een patiënt met borstkanker. Een medicijn tegen borstkanker zou dan ook goed kunnen werken bij een patiënt met darmkanker."

Veel van deze medicijnen zijn prijzig en worden alleen vergoed voor de kankersoort waarvoor hun werking is bewezen. Daarom legt DRUP systematisch vast of ze ook bij andere kankersoorten veilig en effectief zijn. Dat kan helpen om deze behandelingen ook voor andere patiënten beschikbaar en vergoed te krijgen.

Waarom is dit belangrijk?

Nieuwe medicijnen ontwikkelen kost veel tijd en geld. Tegelijk bestaan er al middelen die mogelijk meer patiënten kunnen helpen dan de groep waarvoor ze oorspronkelijk zijn goedgekeurd. DRUP kijkt naar wat er al beschikbaar is, en onderzoekt hoe die medicijnen slimmer en gerichter kunnen worden ingezet.

Dat is vooral relevant voor patiënten met zeldzame kanker of vergevorderde kanker. Voor hen zijn vaak weinig standaardbehandelingen beschikbaar. Door te kijken naar het DNA-profiel van de tumor, kan soms toch een behandeling worden gevonden die past bij de kenmerken van hun kanker.

Voest noemt het voorbeeld van trastuzumab (Herceptin): "Het heeft 12 jaar geduurd voordat dit medicijn tegen borstkanker óók werd geregistreerd voor patiënten met maagkanker die dezelfde DNA-afwijking hebben. Al die tijd heeft dat middel gewoon op de plank gelegen. Dan denk ik: je kunt wel allemaal nieuwe geneesmiddelen gaan ontwikkelen, maar kijk toch ook eens naar wat er nu al ligt en hoe je daar meer patiënten mee kunt helpen."

Wat laten de resultaten zien?

In 2026 verschenen resultaten van de DRUP-studie onder ruim 1.600 patiënten met vergevorderde kanker. Zij kregen bestaande medicijnen die waren goedgekeurd voor andere kankersoorten, op basis van DNA-afwijkingen in hun tumor.

Bij 35% van de evalueerbare patiënten had de behandeling effect: de tumor werd kleiner of bleef minstens 16 weken stabiel. Bij 67 patiënten was het effect uitzonderlijk goed. Bij hen verdween de kanker volledig of bleef de ziekte minstens 2 jaar onder controle. Deze resultaten laten zien dat bestaande medicijnen bij sommige patiënten ook buiten hun oorspronkelijke toepassing langdurig effect kunnen hebben.

Tegelijk laat de studie zien dat deze aanpak zorgvuldig moet worden toegepast. Niet iedere patiënt heeft baat bij de behandeling en 1 op de 4 patiënten kreeg ernstige bijwerkingen. Daarom blijft onderzoek nodig om beter te voorspellen welke patiënten waarschijnlijk baat hebben bij een behandeling, en bij wie de risico’s te groot zijn.

Wat betekent dit voor patiënten?

Voor patiënten met kanker blijft de standaardbehandeling meestal de eerste keuze. Maar voor patiënten bij wie die behandelingen niet meer werken, kan onderzoek zoals DRUP nieuwe mogelijkheden bieden.

Dat betekent niet dat er altijd een passend medicijn is, of dat een behandeling altijd aanslaat. Wel laat DRUP zien dat het waardevol kan zijn om verder te kijken dan de kankersoort alleen. Door het DNA-profiel van de tumor mee te nemen, kunnen artsen en onderzoekers soms behandelingen vinden die anders buiten beeld waren gebleven. Voor sommige patiënten maakt dat een groot verschil.

Voest is hoopvol, maar ook realistisch over de toekomst van kankeronderzoek. "Het is een inspirerende tijd om onderzoek te doen. We weten en kunnen steeds meer. Maar naarmate je meer weet, leer je ook dat je veel niet weet. Er zijn nog veel tumorvormen waarop we terreinwinst moeten boeken. Als wetenschappers werken we er keihard aan om dat mogelijk te maken."

Nieuws en resultaten

Ongeveer 1 op de 3 patiënten met vergevorderde kanker heeft baat bij medicijnen die zijn ontwikkeld voor een andere kankersoort. Dat blijkt uit de resultaten van de DRUP-studie onder ruim 1.600 patiënten. Zij kregen een behandeling op basis van de DNA-afwijkingen in hun tumor, met bestaande medicijnen die zijn goedgekeurd voor andere kankersoorten. Deze aanpak is extra relevant voor patiënten met zeldzame kanker, omdat er voor hen vaak weinig medicijnen beschikbaar zijn.

Bij 35% van de evalueerbare patiënten had de behandeling effect: de tumor werd kleiner of bleef minstens 16 weken stabiel. De sterkste effecten traden op bij afwijkingen in de genen MSI-H, BRAF p.V600E en BRCA1/2. Opvallend is dat 67 patiënten uitzonderlijk goed reageerden: bij hen verdween de kanker volledig of bleef de ziekte minstens 2 jaar onder controle. Dit laat zien dat bestaande medicijnen ook bij andere kankersoorten langdurig effect kunnen hebben. Tegelijk kreeg 1 op de 4 patiënten ernstige bijwerkingen.

De resultaten maken duidelijk dat deze aanpak waardevol kan zijn, maar alleen binnen studies die goed meten wat werkt, wat niet werkt en hoe veilig de behandelingen zijn.

De combinatie van de medicijnen dabrafenib en trametinib blijkt goed te werken bij patiënten met een hersentumor met een BRAF V600E-mutatie. Deze geneesmiddelen zijn al goedgekeurd voor andere kankersoorten met dezelfde mutatie, zoals melanoom. 30 patiënten met een hersentumor, waaronder glioblastoom, pilocytair astrocytoom en pleomorf xanthoastrocytoom, kregen deze behandeling. Bij 76% van de 25 evalueerbare patiënten had de behandeling effect: bij 11 patiënten werd de tumor kleiner en bij 8 bleef de ziekte minstens 16 weken stabiel. Er werden geen onverwachte bijwerkingen gevonden.

54 patiënten met uitgezaaide tumoren met fouten in verschillende DNA-herstelgenen kregen de PARP-remmer olaparib. Dit medicijn voorkomt dat kankercellen DNA-schade kunnen repareren. De gevoeligheid voor de behandeling verschilde sterk per gen. Patiënten met een CDK12-mutatie hadden soms baat bij de behandeling, maar bij ATM- en PPP2R2A-mutaties werkte olaparib nauwelijks. Er werden geen nieuwe bijwerkingen gevonden. De resultaten laten zien dat de werking van PARP-remmers sterk afhangt van welk gen is aangetast. Brede goedkeuring voor gebruik van olaparib bij fouten in de DNA-reparatie is waarschijnlijk niet terecht.

Op basis van DRUP-data besluit het Zorginstituut dat nivolumab vanaf 1 juli 2022 wordt vergoed uit het basispakket voor volwassen patiënten met uitgezaaide dMMR/MSI-tumoren zonder andere behandelopties. Daarmee groeit de eerdere pilot uit tot reguliere vergoeding. De DRUP-studie heeft laten zien dat meer dan 40% van deze patiënten langdurig voordeel van nivolumab heeft: de tumor wordt kleiner of verdwijnt zelfs.

De DRUP-trial laat mooie resultaten zien bij patiënten met een zeldzame vorm van kanker. Aan het onderzoek deden tot nu toe 500 patiënten mee, waarvan 164 met een zeldzame kankersoort. Bij de zeldzame én de niet-zeldzame kankervormen had een derde van de patiënten baat bij één van de 25 beschikbare geneesmiddelen. Deze resultaten laten zien dat het analyseren van tumor-DNA kan leiden tot betere behandelingen. 

Resultaten uit de DRUP-studie leiden tot een nieuw vergoedingsmodel voor nivolumab bij patiënten met een zeldzaam MSI/dMMR-tumorprofiel. Via deze pilot krijgen patiënten toegang tot het middel als zij daar binnen de studie baat bij blijken te hebben.