Hersenactiviteit & terugkeer van glioblastoom

Microscoop

We beschikken al jaren over technieken om hersenactiviteit te meten. Kunnen we deze kennis nu ook toepassen binnen het oncologische veld?
 

Doel van het onderzoek

Bepalen of het meten van hersenactiviteit een beter beeld geeft van terugkeer van agressieve hersentumoren, dan met de huidige methoden mogelijk is.

Waarom is dit onderzoek nodig?

Glioblastomen zijn hersentumoren met een bijzonder slechte prognose. Omdat de kwaadaardige cellen diep in de hersenen doordringen, is het praktisch onmogelijk om een glioblastoom bij operatie compleet te verwijderen. Een combinatie van bestraling en chemotherapie is dan nodig om achterblijvende kankercellen uit te schakelen, maar na verloop van tijd zal de tumor weer terug groeien. Zelfs met een optimale behandeling is de prognose voor patiënten gemiddeld slechts 1,5 jaar.

Na afronding van chemo & bestraling worden patiënten gemonitord door middel van hersenscans. Bij het merendeel zijn binnen drie maanden veranderingen op de scans zichtbaar die zowel kunnen duiden op groei van de tumor (tumorprogressie), als op effecten van de behandeling (pseudoprogressie). Het is belangrijk om dit onderscheid goed te kunnen maken, want de behandeling wordt daarop aangepast. Bij tumorprogressie heeft verder behandelen niet veel zin meer, bij pseudoprogressie juist nog wel. Maar de scans schieten daarin tekort, en het alternatief (een nieuwe operatie) is niet veel beter, vanwege de risico’s die dat met zich meebrengt voor de patiënt.

Deze onduidelijkheid leidt ertoe dat bij naar schatting de helft van de patiënten de behandeling onterecht vroegtijdig wordt gestaakt, of onnodig lang wordt doorbehandeld. Daarom is het belangrijk om vroegtijdig en betrouwbaar te kunnen onderscheiden of er sprake is van tumorprogressie of pseudoprogressie. 

In dit project wordt onderzocht of het meten van hersenactiviteit aan dat onderscheid kan bijdragen. 

Hoe wordt dit onderzoek uitgevoerd?

Uit vooronderzoek (bij proefdieren en met menselijk weefsel) is gebleken dat hogere activiteit van hersencellen rondom een glioblastoom, leidt tot tumorgroei. Dit werkt twee kanten op, want tumorgroei leidt op zijn beurt weer tot meer activiteit van hersencellen rondom de tumor. 

Dit betekent dat tumorgroei en hersenactiviteit hand in hand gaan, en hersenactiviteit wellicht een goede maat is voor de groei van de tumor. 

In deze patiëntenstudie bouwen de onderzoekers voort op hun eerdere resultaten. Ze meten hersenactiviteit bij honderd patiënten op vijf verschillende momenten in hun behandeltraject. Daarbij willen ze bepalen of de hersenactiviteit goed evenredig loopt met terugkeer van de ziekte (blijft de hersenactiviteit stabiel als de tumor dat ook is; hoeveel neemt de hersenactiviteit toe bij groei van de tumor?)

 

Wat levert dit onderzoek op?

Als dit onderzoek succesvol is, dan wordt het mogelijk om op een patiëntvriendelijke manier te bepalen of er sprake is van groei van de tumor. En kunnen belangrijke behandelbeslissingen eerder en met meer zekerheid worden genomen.