Chemotherapie bij borstkanker wanneer hormoontherapie niet meer werkt

Illustratie onderzoekers, artsen en patiënten met de tekst "Dit onderzoek is mogelijk dankzij donaties".

Onderzoekssamenvatting

Gepubliceerd op 10 mei 2019

​Patiënten met uitgezaaide en hormoongevoelige borstkanker worden op den duur therapieongevoelig. Mogelijk is chemotherapie toch nog zinvol, maar hiervoor is een goede patiëntselectie noodzakelijk.

Doel van dit onderzoek

Met dit onderzoek willen de onderzoekers bestuderen of tumorcellen die door een genetische verandering ongevoelig zijn geworden voor sommige hormoonblokkerende therapieën nog wel gevoelig zijn voor chemotherapie.

Waarom is dit onderzoek nodig?

Dit onderzoek is nodig omdat patiënten met uitgezaaide en hormoongevoelige borstkanker op den duur ongevoelig voor de hormoonblokkerende behandeling worden.

Oestrogeen stimuleert tumorgroei bij hormoongevoelige borstkanker. Daarom bestaat de therapie uit het blokkeren van het hormoon oestrogeen. Maar door een genetische verandering (DNA-verandering) kan de oestrogeenreceptor op de tumorcellen geactiveerd worden zonder dat hier nog oestrogeen voor nodig is. Zo kan therapieongevoeligheid optreden. De genetische verandering betreft een ESR1-mutatie.

Doordat de tumorcellen met een ESR1-mutatie ongevoeliger zijn voor hormoontherapie gaan ze waarschijnlijk sneller delen. Snel delende cellen zijn over het algemeen gevoeliger voor chemotherapie. 

Wat levert dit onderzoek op?

Uit dit onderzoek zal moeten blijken of voorafgaand aan de behandeling de ESR1-mutatie bepaald kan worden bij vrouwen met hormoongevoelige borstkanker. En of de tumorcellen met deze ESR1-mutatie inderdaad gevoeliger voor chemotherapie zijn. Dat zou de behandeling kunnen verbeteren.

Hoe wordt dit onderzoek uitgevoerd?

Om dit onderzoek uit te voeren zullen de onderzoekers patiënten met uitgezaaide hormoongevoelige borstkanker benaderen. Het gaat om patiënten die anti-hormonale therapie gehad hebben en hormoontherapieongevoelig zijn geworden, waardoor zij op het punt staan om met chemotherapie te starten.

Als de patiënt aan het onderzoek wil deelnemen dan zullen de onderzoekers de ESR1-mutatie in het bloed bepalen. In totaal wordt de patiënt gevraagd om 4 keer bloed af te staan, gedurende de chemotherapie.

Dit materiaal wordt gebruikt om te kijken hoe de patiënt op de chemotherapie reageert en of het aantal tumorcellen met een ESR1-mutatie afneemt tijdens de chemotherapie.