Hoe borstkanker therapieongevoelig kan worden

Illustratie onderzoekers, artsen en patiënten met de tekst "Dit onderzoek is mogelijk dankzij donaties".

Onderzoekssamenvatting

Publicatiedatum 29 maart 2019

Kanker ontsnapt nog te vaak aan de behandeling waardoor therapieongevoeligheid ontstaat. Dit gebeurt omdat kanker genen beïnvloedt die betrokken zijn bij groei en overleving. Hoe zit dit bij borstkanker?

Doel van dit onderzoek

Met dit onderzoek bestuderen de onderzoekers hoe borstkanker bepaalde genen in het lichaam controleert waardoor therapieongevoeligheid kan optreden. 

Waarom is dit onderzoek nodig?

Dit onderzoek is nodig, omdat kanker vaak aan de behandeling weet te ontsnappen ondanks alle nieuw beschikbare therapieën. Er is dan sprake van therapieongevoeligheid.

Dit doen kankercellen bijvoorbeeld door het communicatienetwerk tussen lichaamscellen te veranderen. Hierdoor kunnen ze genen besturen die betrokken zijn bij groei, overleving en bewegelijkheid van cellen. Deze genen heten regulatiegenen. De mate waarin tumoren dit netwerk beïnvloeden, lijkt samen te hangen met het type en stadium van de kanker. Voor borstkanker, die uit verschillende types bestaat, is niet precies bekend hoe dit zit.

De onderzoekers van dit project ontdekten een set van regulatiegenen (Grainyhead-like transcriptiefactoren) die een belangrijke rol lijken te spelen in de therapiegevoeligheid van triple-negatieve borstkanker. De onderzoekers gaan dit verder uitzoeken. 

Wat levert dit onderzoek op?

Uit dit onderzoek moet blijken hoe het borstkankertype en -stadium deze regulatiegenen beïnvloeden. Deze kennis kan een bron zijn om medicijnen te ontwikkelen die therapieongevoeligheid tegengaan. Mogelijk is deze kennis ook van toepassing op andere soorten kanker. 

Hoe wordt dit onderzoek uitgevoerd?

Om dit onderzoek uit te voeren zetten de onderzoekers in het laboratorium bepaalde regulatiegenen aan en uit en kijken welk effect dit heeft op andere genen en op de therapiegevoeligheid van verschillende borstkankertypes. De onderzoekers gebruiken borstkankercellen van mensen (verschillend in type en stadium) en muismodellen.