Onderzoeker van de week: Judith Prins

Onderzoeker Judith Prins op haar kantoor
Er bestaat ontzettend goede hulp waarmee patiënten sneller uit het 'zwarte gat' kunnen komen.
Prof. dr. Judith Prins

De draad oppakken na darmkanker

​Zelfs al zijn de vooruitzichten goed, het komt regelmatig voor dat kankerpatiënten na hun behandeling in een zwart gat vallen. Terwijl hun omgeving benadrukt dat ze vooral blij moeten zijn, ervaren de (ex-)patiënten zelf gevoelens van somberheid, angst voor terugkeer van de ziekte of fysieke ongemakken. Professor Judith Prins (Radboudumc) wil deze groep helpen: “Er bestaat ontzettend goede hulp waarmee deze mensen sneller uit dat zwarte gat kunnen komen.”

De hierboven beschreven klachten komen voor bij zo’n 30% van de patiënten met darmkanker, op enig moment binnen 5 jaar na de behandeling. Vergelijkbare cijfers als bij borstkanker, maar er is een belangrijk verschil: “We zien dat het ontzettend lastig is om darmkankerpatiënten goed te bereiken. De patiënten zijn vaak ouder. Bovendien ook vaker man. Misschien hebben zij het idee dat deze problemen erbij horen en ze die zelf moeten oplossen.”

Wat niet helpt, is dat er momenteel weinig gerichte psychosociale zorg bestaat voor deze groep patiënten. “De enige standaardzorg is de nazorg bij de chirurg of de oncoloog. Als je je bij je huisarts meldt met psychosociale problemen, zou het kunnen dat de praktijkondersteuner je doorverwijst naar een psycholoog. Maar het ontbreekt aan een bewezen effectieve methode. Wij onderzoeken in de CORRECT-studie of we darmkankerpatiënten met deze klachten beter kunnen helpen.”

De CORRECT-studie

Darmkankerpatiënten die meedoen aan deze studie vullen een vragenlijst in, waarna de groep door loting in tweeën wordt verdeeld. De ene groep krijgt de standaardzorg, de andere groep een psychosociale behandeling die op hun situatie is toegespitst. Deze vergelijking maakt het mogelijk om te bepalen of zo’n behandeling echt meerwaarde biedt.

“Wie wordt ingeloot in de groep voor individuele behandeling, krijgt een intakegesprek bij een psycholoog. Die bekijkt samen met de patiënt wat de hulpvraag is en waarmee hij of zij aan de slag wil. Dat kan zijn met de module Angst, maar ook de module Somberheid of de module Omgaan met lichamelijke klachten”, legt Prins uit. Bij deze modules horen opdrachten die de deelnemers thuis op de computer of in een werkboek kunnen uitvoeren. “De opdrachten worden vervolgens besproken met de therapeut. Deze behandeling duurt 4 maanden en het verschuift eigenlijk van face-to-face contact naar online therapie die patiënten richting geeft om er zelf mee aan de slag te gaan. Zelfmanagement dus.”

De sociale omgeving blijft ondertussen niet aan de zijlijn staan, vertelt de onderzoeker. “Als de patiënt dat wil, dan betrekken we ook de partner bij dit traject. En niet alleen het thuisfront is belangrijk, we kijken bijvoorbeeld ook naar hoe mensen terugkeren op de werkvloer. Sommige patiënten die kampen met vermoeidheid denken dat ze beter niet meer kunnen werken. Maar er is vaak nog veel mogelijk, als je het maar goed opbouwt. Psychosociale hulp helpt daarbij.”

Kleine investering, grote winst

Meedoen aan de studie vraagt een investering van deelnemers. “De behandeling duurt 4 maanden met daarin zo’n 5 face-to-face contacten, 3 online contacten met chat of telefoon en dan nog ongeveer 9 tot 14 online opdrachten. Het kan een drempel zijn om mee te doen, maar je doet jezelf tekort als je na de behandeling van darmkanker in een dip zit en denkt dat je zelf sterk genoeg moet zijn om je eroverheen te zetten. Accepteer hulp hierbij! Er is goede hulp waarmee je niet zo lang in die dip zit als wanneer je er zelf uit probeert te komen.”

Over investering gesproken: Prins en haar team onderzoeken ook of hun behandeling kosteneffectief is. “Dat moeten we natuurlijk goed in kaart brengen. Met maar een beetje meer kosten herstellen mensen sneller. Een betere arbeidsproductiviteit is goed in cijfers te vatten, maar dat geldt natuurlijk niet voor alle gevolgen die mensen met kanker ervaren. Zoals de angst voor terugkeer van kanker. Toch denk ik in het algemeen dat het ontzettend veel oplevert om patiënten te bezien in hun persoonlijke context. Patiënten hebben niet alleen kanker, maar een geschiedenis. Ze zijn bijvoorbeeld een kind verloren, zorgen voor hun ouders of hebben een partner die ziek is. We zien die context nu te vaak niet. Ik gun het iedere patiënt dat we die context wél gaan zien. Dan kunnen we ze bijtijds helpen.”

De CORRECT-studie loopt momenteel in het Radboudumc in Nijmegen en het VUmc in Amsterdam. Patiënten kunnen nog deelnemen! Geïnteresseerd? Lees op de website van het Radboudumc meer over het project en hoe je je kunt aanmelden.