Onderzoeker van de week: Matti Rookus

KWF.nl > Onderzoek > Dit onderzoek maken we mogelijk > Onderzoeker van de week: Matti Rookus

​We willen mensen die zich laten testen goed kunnen adviseren.

dr. Matti Rookus

De computer als laboratorium

Wetenschappelijk onderzoek naar kanker is al lang niet meer alleen een kwestie van reageerbuisjes en witte jassen. Veel onderzoek wordt tegenwoordig achter de computer uitgevoerd. Door de medewerking van gezonde én zieke mensen (denk aan een vragenlijst invullen, of een buisje bloed afstaan) aan epidemiologisch onderzoek, ontstaan grote databases met gegevens waarin belangrijke onderzoeksvragen onderzocht kunnen worden.

Epidemioloog Dr. Matti Rookus werkt in het Antoni van Leeuwenhoek (AVL) met dit soort gegevens. Zij is de centrale projectleider van de HEBON-studie, een zogenaamd ‘cohortonderzoek’, waarin leden van families met een verhoogd risico op borst- en eierstokkanker in de tijd worden gevolgd. Hun gegevens zijn opgeslagen in de HEBON-database en daarmee onderzoekt ze verschillende vragen die te maken hebben met het risico om borstkanker te krijgen.

 
Ze vertelt over de start van het onderzoek, jaren geleden: “In de jaren ’90 werd duidelijk dat mutaties in BRCA-genen kunnen leiden tot borstkanker. We zijn toen met subsidie van KWF begonnen met de HEBON-studie en het opbouwen van de HEBON-database. Wat je met dat geld doet is in feite een klein project, terwijl je al iets veel groters voor ogen hebt. We konden er eind jaren ‘90 bijvoorbeeld onderzoeksassistenten van aanstellen: zij begonnen stambomen in te voeren en families te bezoeken, ze namen vragenlijsten af, en begonnen zo de HEBON-database met gegevens te vullen. We vroegen de deelnemers of het goed was dat we ze langere tijd zouden gaan volgen door vervolgvragenlijsten toe te sturen en hun gegevens met die van de kankerregistratie te vergelijken. Zo zouden we kunnen nagaan wie wel en wie niet kanker zou gaan ontwikkelen. Zo’n studie-opzet zou de meest betrouwbare gegevens gaan opleveren.”

 

Wat betekent een verhoogd risico?

Tegenwoordig gaat alles een stukje sneller (met online vragenlijsten bijvoorbeeld), maar het uitgangspunt is hetzelfde gebleven. Met resultaat: “Dankzij HEBON-onderzoek weten we nu dat mutaties in hoog-risico genen als BRCA-1 of BRCA-2 niet altijd tot kanker leiden, dat het uitmaakt op welke plek op het gen zo’n mutatie optreedt en dat er nog veel meer genen en leefgewoonten zijn die bijdragen aan het borstkankerrisico. Bij leefgewoonten kan je denken aan het gebruik van hormonen, want borstkanker en eierstokkanker zijn hormoongevoelige tumoren. Wat betreft de genen zijn de laatste jaren zo’n 100 kleine variaties ontdekt, die verspreid over het hele genoom (zogenaamde ‘single nucleotid polymorphisms’; SNPs) voorkomen. Elke variant op zich beïnvloedt het risico slechts in lichte mate, maar samen spelen ze wel een belangrijke rol. Daarnaast is een voorbeeld van een ander ‘borstkanker’ gen het CHEK-2 gen, dat dr. Maartje Hooning van het Erasmus MC met financiering van Pink Ribbon verder onderzoekt.”

Een belangrijke vraag rondom risico’s, is wat ze nu in de praktijk betekenen. Rookus: “We willen mensen die zich laten testen goed kunnen adviseren. Niet alleen ‘u heeft een hoog risico dus misschien moet u overwegen uw borsten te laten amputeren’, maar advies dat beter op de persoon is toegespitst. Bij de één kan zo’n amputatie 10 jaar wachten, bij de ander hoeft het nooit en bij weer een ander moet het zo snel mogelijk.”
 

HEBON-samenwerking

Dat verschillende onderzoeken (zoals de CHEK-2 studie) bij HEBON kunnen aanhaken, is een belangrijk kenmerk van de HEBON-studie geworden. Er bestaat tegenwoordig een nauwe samenwerking tussen onderzoekers in de ziekenhuizen die de deelnemers uitnodigen. Ze werken samen aan het uitbreiden van de onderzoeksgroep, aan het onderhouden van de HEBON-database en aan het opzetten van nieuwe studies.
 
“Vaak kunnen dezelfde gegevens namelijk voor meer studies worden gebruikt, dan waarvoor ze in eerste instantie zijn verzameld. Dus als de vraagstelling van een nieuwe studie onder de doelstellingen van HEBON valt, kan zo’n nieuw onderzoek veel efficiënter, sneller en dus goedkoper worden uitgevoerd. Inmiddels hebben alle negen deelnemende centra dergelijke HEBON-studies lopen (zie www.hebon.nl/hebononderzoek). Zo doet het LUMC (prof. Peter Devilee) veel onderzoek naar varianten in andere genen dan BRCA1 en BRCA2, die met het risico op borstkanker samenhangen. Dr. Maartje Honing en
dr. Marjanka Schmidt (AVL) bestuderen de effectiviteit van behandelingen bij draagsters van een BRCA1 of BRCA2-mutatie. Terwijl ik vooral kijk naar de hoogte van het risico bij vrouwen die zo’n mutatie dragen en de factoren die daar verder invloed op hebben”, aldus Rookus.
 

De database verrijken

Door die deelonderzoeken worden de gegevens niet alleen meermalen gebruikt, ze worden door de onderzoekers ook aangevuld en daarmee wordt de database verrijkt. Dit lijkt de ideale wereld maar ondertussen is financiering steeds een heikel punt, vertelt Rookus. “HEBON krijgt niet structureel geld. Hierdoor komt het beheer en controle van al die gegevens regelmatig onder druk te staan, net als de uitgifte van onderzoeksgegevens. Vroeger konden we dat er nog wel bij doen, maar tegenwoordig is dat steeds moeilijker aan het worden. We begonnen met hoofdzakelijk vragenlijstgegevens, maar inmiddels zijn daar ook veel meer genetische en medische gegevens -inclusief tumorkenmerken en bloedwaarden- bij gekomen. Als je de gegevens over de onderzoeksgroep up-to-date wil houden en daarmee de database wilt uitbreiden, zul je een nieuwe projectaanvraag moeten schrijven, die in de eerste plaats ook weer veel ‘eigen’ werk met zich meebrengt. Door de jaren heen hebben we zo verschillende projecten gehad en tot een goed einde weten te brengen, van KWF, ZonMW, Pink Ribbon, BBMRI, maar er is in toenemende mate behoefte aan een structurele ondersteuning van een datamanager die het onderzoek op zijn of haar duimpje kent en niet om de zoveel jaar moet worden vervangen en het er een beetje bij moet doen.”
 
Dankzij HEBON weten we zoveel meer over de factoren die bijdragen aan het al dan niet ontwikkelen van borstkanker.
 
Een voorbeeld van onderzoek waar bloed voor nodig is, is het recent gehonoreerde Pink Ribbon-project van dr. Esther Lips. Rookus en Lips werken samen om met genetisch materiaal uit bloed de risicovoorspellingen te verbeteren. “We willen nu dus naast gegevens over mutaties, SNPs en risicofactoren ook gegevens over bloedwaarden op een specifiek moment gaan verzamelen, omdat in bloed ook signalen kunnen ontstaan die voorspellen wat het risico in de nabije toekomst is. Zo denken we dat we bloed ook voor de screening kunnen gaan gebruiken. Nu gaat het allemaal nog met mammogrammen en MRI, maar uiteindelijk willen we het screenen met behulp van bloed doen. Al zullen MRI en mammografie wel nodig blijven voor de diagnostiek.”

 

Internationaal meer mogelijk maken

Voor sommige onderzoeksvragen is het van belang om over de grenzen heen te kijken. “Voor het SNP-onderzoek zijn enorm grote aantallen nodig, maar ook het onderzoek naar leefgewoonten, zoals naar het verband tussen pilgebruik en borstkanker, wordt sterker als je samenwerkt. Naast een grote groep pilgebruikers heb je namelijk ook een grote groep niet-pilgebruikers nodig. Maar wie zijn dat nog? In Nederland krijg je geen voldoende grote groep bij elkaar.”
 
Een ander internationaal onderzoek krijgt financiering vanuit TRANSCAN, een Europees netwerk van kankerorganisaties waaraan ook KWF deelneemt. Centraal in dit onderzoek staat borstdensiteit, de dichtheid van het borstweefsel. “Afgezien van de BRCA-genen waar we het net over hadden, is borstdensiteit misschien wel de sterkste risicofactor voor het krijgen van borstkanker. Met mammogrammen en MRI kijkt men nu of er wel of geen tumor aanwezig is. Maar de borstdensiteit, die ook uit diezelfde mammogrammen en MRI beelden is af te leiden, geeft ook veel informatie over het risico van vrouwen die nu nog geen borstkanker hebben. In Zweden is een programma ontwikkeld dat de borstdensiteit uit deze beelden kan afleiden. Binnen de HEBON-populatie zijn die beelden in de ziekenhuizen al beschikbaar, omdat veel vrouwen zich regelmatige laten onderzoeken. In dit TRANSCAN-project verzamelen we die beelden uit Nederland, Engeland, Frankrijk, Polen en Duitsland. Zo zijn we een van de eersten die goed uit kunnen gaan zoeken of met die beelden ook het risico op borstkanker van jonge vrouwen beter kan worden ingeschat. Als dat zo is kan dat heel belangrijk zijn voor de voorspelling van het risico onder BRCA1/2 mutatiedraagsters. In dit project werken we weer nauw samen met prof. Carla van Gils (UMC Utrecht), een expert op het gebied van borstdensiteit.”
 
“Dankzij HEBON weten we zoveel meer over de factoren die bijdragen aan het al dan niet ontwikkelen van borstkanker”, besluit Rookus. “Het is nu nog een klein onderzoeksgebied, maar het loopt wel vooruit op een enorm veld in opkomst, waarin de genetica een steeds grotere rol gaat spelen. Dat je bijvoorbeeld met je iPhone het ziekenhuis binnen komt lopen, daarop je genetische informatie wordt uitgelezen en daarmee, samen met wat andere informatie, de beste behandeling wordt afgestemd of je risico op bepaalde aandoeningen of bijwerkingen wordt ingeschat.” 

Select the Component and add.
Close

HEBON

​De HEBON-database kon worden opgezet mede dankzij financiering van KWF Kankerbestrijding en Pink Ribbon.
Bezoek de HEBON-website