Onderzoeker van de week: Hein te Riele

KWF.nl > Onderzoek > Dit onderzoek maken we mogelijk > Onderzoeker van de week: Hein te Riele

​Zonder fundamenteel onderzoek droogt de bron van toepassingen op.

Prof. dr. Hein te Riele

Erfelijke darmkanker te lijf

Jaarlijks krijgen ruim 15.000 Nederlanders darmkanker. Naar schatting wordt zo´n 5% daarvan veroorzaakt door het erfelijke Lynch-syndroom. Bij mensen met dit syndroom is de kans groot dat beschadigde darmcellen uitgroeien tot kwaadaardige cellen.

Dat zit zo: Lynch-syndroom ontstaat door een overerfbaar defect in een reparatiemechanisme van cellen. In deze cellen worden afwijkingen in het DNA niet (goed) meer gerepareerd, waardoor de fouten zich opstapelen en op den duur kwaadaardige cellen ontstaan. Deze staan vervolgens aan de basis van kanker. In het geval van Lynch-syndroom is dat meestal darmkanker, maar het syndroom kan ook leiden tot tumoren in de baarmoeder en de hersenen.
 

Tumorvorming voorkomen

Erfelijk belast zijn met Lynch-syndroom wil niet zeggen dat er ook daadwerkelijk kanker optreedt, al is de kans wel erg groot. Kennis van het verloop van dit proces is essentieel om nieuwe behandelmogelijkheden te ontwikkelen. Daarom doet prof. dr. Hein te Riele aan het Antoni van Leeuwenhoek fundamenteel onderzoek naar Lynch-syndroom en manieren om de kans op kanker te verkleinen. Immunotherapie is een goede kandidaatbehandeling, maar de onderzoeker kijkt ook naar de invloed die stoffen in voeding hebben op kankervorming bij Lynch-syndroom.
 
‘Het is bekend dat tumoren met veel mutaties zichzelf lichaamsvreemd maken, omdat ze eiwitten aanmaken die vreemd zijn voor het lichaam’, weet te Riele. ‘Dat maakt dat Lynch-syndroom heel geschikt lijkt om met immunotherapie te behandelen. Misschien kan immunotherapie worden gebruikt om kanker te voorkomen: bijvoorbeeld door iemand met Lynch-syndroom elke 5 jaar te behandelen, zodat je de beginnende tumorcellen kwijtraakt. Maar zo’n behandeling kan ook achteraf, als iemand al een tumor heeft.’
 
De onderzoeker heeft al de nodige ervaring met onderzoek naar het syndroom. Zo vond hij al eerder bij muizen met Lynch-syndroom dat blootstelling aan een bepaalde stof zorgt dat cellen met mutaties toenemen – en daarmee ook de kans op een tumor. ‘Het gaat om een stof die voorkomt in allerlei etenswaren, maar wel in een hele lage dosis. Bij muizen hebben we een hoge dosis gebruikt. De vraag is nu: is een lage dosis risicovol voor patiënten? Moet je deze mensen waarschuwen of adviseren om iets wel of niet te eten? Of is er bij een normale inname niet zoveel aan de hand?’
 
Alles wat we weten wat zo belangrijk is voor mensen met Lynch-syndroom, dat is al 30 jaar geleden in bacteriën bestudeerd.
Naast stoffen die kwaadaardige cellen bij patiënten stimuleren, zijn er volgens te Riele ook beschermende stoffen: ‘Er is een medicijn waar specifiek deze kwaadaardige cellen heel veel last van hebben. We willen kijken of daarmee de kans op kanker afneemt. Dan kan je bijvoorbeeld om de 5 jaar een kuurtje meegeven.’
 

Vertaalslag naar mensen

Het project is voor te Riele geslaagd als het lukt om een preventieve behandeling te ontwikkelen waarmee het risico op kanker in muizen wordt teruggebracht naar nul. ‘En als we enigszins werk hebben gedaan om te kijken of het bij mensen ook kan. Maar dat is wel moeilijker, want wanneer ga je het aan mensen geven en hoe ga je het effect dan meten? Stel, er is een patiënt van 20 jaar oud, die nog geen kanker heeft. De kans dat hij het voor zijn 40e levensjaar krijgt is vrij groot, rond de 50%. Dan kan ik wel een pilletje geven, maar hoe we vervolgens kunnen meten of het echt effect heeft gehad en er nergens kanker in de darmen zit? Dat weet ik nog niet. Dat is echt een vak apart. Daarom ben ik blij dat ik met gastro-enterologen samenwerk, die hebben daar meer zicht op.’
 
Te Riele waardeert deze samenwerking, die juist in het Antoni van Leeuwenhoek goed vorm krijgt omdat zowel de patiëntenzorg als een heel scala aan onderzoekers met allerlei specialisaties onder één dak zitten. ‘We willen niets liever dan inzichten in het lab vertalen naar de kliniek. Dat stimuleren we ook door die specialisten uit te nodigen op onze werkbesprekingen en te vertellen wat we doen.’
 

Kennis van kanker dankzij bacteriën

Jaren geleden startte te Riele zijn loopbaan in bacterie-onderzoek, vanuit scheikunde en biochemie. ‘In die tijd ging onderzoek naar bacteriën vooral over het nut voor industriële toepassingen. Nu we weten dat we allemaal ruim een kilo bacteriën meedragen in onze darmen, staan bacteriën opnieuw in de belangstelling. Ze bepalen namelijk mede onze gezondheid. Het veld richt zich enorm op wat bacteriën doen in ons lichaam. Dat is momenteel booming.’

(Lees ook het verhaal van collega Sjaak Neefjes, over het verband tussen salmonellabacteriën en kanker.)
 
De rol van bacterie-onderzoek voor onze kennis van kanker moet sowieso niet worden onderschat, vindt de onderzoeker: ‘Door de bacteriën hebben we veel fundamentele inzichten over DNA opgedaan. Alles wat we weten wat zo belangrijk is voor mensen met Lynch-syndroom, dat is al 30 jaar geleden in bacteriën bestudeerd. Toen in de jaren ’90 duidelijk werd dat er zoiets als een erfelijke vorm van darmkanker bestond, was die kennis van cruciaal belang om heel snel door te stoten naar de onderliggende oorzaken.’

Dat onderstreept de belangrijke rol van kennis uit fundamenteel onderzoek, besluit te Riele. ‘Geld wordt momenteel vooral gegeven aan onderzoek dat toepasbaar is. Maar zonder fundamenteel onderzoek droogt de bron van deze toepassingen op.’ Dit inzicht wordt gedeeld door het Nobelprijscomité dat de Nobelprijs voor Chemie 2015 heeft toegekend voor fundamenteel onderzoek aan DNA reparatiemechanismen in bacteriën.

Select the Component and add.
Close

Dossier

Naam: prof. dr. J.P.J. (Hein) te Riele
Instituut: Antoni van Leeuwenhoek
Vakgebied: Moleculaire biologie
Start project: 1 augustus 2015
Looptijd: 4 jaar
Financiering KWF: 507.600,- euro