1 augustus Wereld Longkankerdag

Onderzoekers Frank van den Broek en Jelle Bousema.
​De kans op een ernstige complicatie is 3 procent. Ook al is dat een laag getal: elke keer is teveel.
Dr. Frank van den Broek

Kijkoperatie bij longkanker: nodig, of niet?

​Gepubliceerd op 1 augustus 2019

Jaarlijks overlijden ruim 10.000 Nederlanders aan longkanker. Om de vooruitzichten voor patiënten met deze vorm van kanker te verbeteren, financiert KWF ruim 20 onderzoeksprojecten op het gebied van longkanker. Waaronder het onderzoek van dr. Frank van den Broek en Jelle Bousema in het Máxima MC in Veldhoven en Eindhoven.

Sinds 2016 werkt Frank van den Broek (rechts op de foto) als chirurg in dit ziekenhuis, waarbij hij zich niet alleen richt op operaties, maar ook op de vraag hoe de zorg beter kan: “Wetenschap heeft altijd mijn interesse gehad. Als ik in de praktijk iets zie dat vragen oproept, dan probeer ik dat uit te werken tot iets moois.”

En dat gebeurt ook in dit onderzoek, dat financiering ontvangt van zowel KWF als ZonMw. Inzet van het onderzoek? In hoeverre een mediastinoscopie nodig is bij de diagnose van longkanker. Een moeilijk woord, dat de chirurg graag uitlegt.

Uitzaaiingen uitsluiten

“Als een longkankerpatiënt nog geen uitzaaiingen heeft, dan is een genezende operatie nog mogelijk. Deze groep is echter niet groot, zo’n 20 procent. Het is bij deze groep heel belangrijk om uit te zoeken of er écht geen uitzaaiingen zijn, zodat je deze mensen niet opereert terwijl dat eigenlijk niet nodig was geweest. Dat doen we met een zogeheten EBUS: er gaat dan een kijkbuis door de luchtpijp, waarmee de lymfeklieren met echo bekeken kunnen worden. Wanneer die er afwijkend uitzien, kan er via een dunne naald een ‘hapje’ van de lymfeklier genomen worden om onder de microscoop te onderzoeken. We weten echter uit eerdere studies dat deze niet altijd voldoende uitsluitsel geven. Bijvoorbeeld als je naast de uitzaaiing prikt, dan krijg je onterecht de uitslag dat de lymfeklieren schoon zijn. Een vals-negatieve EBUS heet dat. Dat is de reden dat we met alleen een EBUS eigenlijk niet tevreden zijn. Daarom krijgen patiënten met een negatieve EBUS volgens de richtlijnen een vervolgonderzoek: de mediastinoscopie.”

Van den Broek beschrijft: “De patiënt gaat onder narcose. Je maakt dan een sneetje boven het borstbeen, en dan ga je met een holle, starre buis voor de luchtpijp langs en kom je achter het borstbeen terecht. Via die buis neem je dan zoveel mogelijk lymfeklieren weg. Dan heb je voldoende weefsel om met een grotere zekerheid lymfeklieruitzaaiingen uit te sluiten.”

Ik wilde iets tastbaars onderzoeken, waarbij je het resultaat direct kunt toepassen bij de patiënt.

Naast zekerheid gaat de mediastinoscopie ook gepaard met een aantal risico’s voor de patiënt: “Je komt op die plek namelijk ook ander weefsel tegen, zoals de stembandzenuw. Als je daar een bloeduitstorting krijgt, kun je tijdelijk of blijvend een hese stem krijgen. Ook lopen er grote bloedvaten in de buurt; als je daaraan trekt, of iets scheurt, is dat een groot risico. Dan heb je nog de slokdarm, die kun je per ongeluk perforeren waardoor voedsel verkeerd terecht komt. Letsel aan de luchtpijp zelf is ook mogelijk. De kans op een ernstige complicatie is 3 procent. Ook al is dat een laag getal: elke keer is teveel.”

Bewijskracht

Om de patiënt te beschermen, onderzoekt Van den Broek in deze studie of die mediastinoscopie niet helemaal achterwege kan blijven. “Er zijn een aantal kleine studies die suggereren dat dat kan. Maar die hebben niet voldoende bewijskracht om de richtlijnen te veranderen. Dan blijft het bij suggereren. In dit project willen we het goéd uitzoeken. En als daar dan uitkomt dat die mediastinoscopie wél een goede zaak is, dan is dat ook goed, maar dan hebben we in ieder geval het antwoord.”

Dat onderzoek doet Van den Broek niet alleen. Naast hem zit Jelle Bousema, die op dit onderzoek hoopt te promoveren. Hij heeft dezelfde drijfveren als Van den Broek: “Ik wilde iets tastbaars onderzoeken, waarbij je het resultaat direct kunt toepassen bij de patiënt. Ik kwam met Frank in contact en raakte enthousiast van zijn verhaal. Toen hebben we de projectaanvraag geschreven en financiering van ZonMw ontvangen om het onderzoek uit te voeren. Gaandeweg ontdekten we dat er nog een extra bedrag nodig was om het echt zó op te zetten dat de resultaten nationaal en internationaal stand zullen houden. Dan moet je denken aan het monitoren van de studie in de verschillende ziekenhuizen. Zijn de juiste patiënten geïncludeerd? Zijn hun data correct – en op dezelfde wijze – gekoppeld in onze database? Zijn de vragenlijsten verstuurd en worden patiënten nagebeld? Dat alles is een stukje kwaliteitswaarborging dat we aan deze studie hebben kunnen toevoegen. De organisatie IKNL heeft daar veel ervaring mee en voert dat voor ons uit.”

Van den Broek voegt toe: “En daarmee is de bijdrage van KWF aan dit project essentieel. De kwaliteit die we nastreven bij dit project ontbreekt bij veel studies. Je hebt daarom meer aan één groot, duur onderzoek, dan aan vijftig kleinere onderzoeken.”

In de praktijk

Ook aan de implementatie van de onderzoeksresultaten hebben de heren gedacht. Bousema: “Draagvlak is heel belangrijk. In elk deelnemend instituut werken een lokale hoofdonderzoeker van de longchirurgie en van de longgeneeskunde samen. Van de beroepsvereniging hebben we het vertrouwen gekregen voor deze studie. Daarnaast hebben we belangrijke expertise aan boord van onze onderzoeksgroep: Marcel Dijkgraaf is hoogleraar Health Technology Assessment (Amsterdam UMC). Dat is belangrijk voor het stuk kosteneffectiviteit wat een belangrijk onderdeel is van het doelmatigheidsvraagstuk dat aan deze studie vastzit. Daarnaast is Jouke Annema, hoogleraar Pulmonale Endoscopie (Amsterdam UMC) actief binnen het kernteam van de MEDIASTrial. Professor Annema is expert op het gebied van  endoscopische stadiëring van longkanker en bovendien een van de mensen die meewerkt aan het ontwikkelen van de Europese richtlijnen.”

Stand van zaken

Ten tijde van publicatie is het onderzoek een kleine 2 jaar bezig en verloopt de studie voorspoedig, zo schetst Bousema: “Er doen 20 Nederlandse ziekenhuizen mee en recent is de studie ook geopend voor inclusie in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (België). Inmiddels zijn we over de helft van het aantal patiënten dat mee moet doen om te studie te voltooien."